START |  VERENIGING |  TIJDSCHRIFT  |  GESCHIEDENIS |  WIJ ZOEKEN |  NIEUWS  |  EERTIJDS |  GASTENBOEK |  LINKS 
 
 
 


START
VERENIGING
    BESTUUR
    WERKING
    LEON DEFRAEYEPRIJS
    PUBLICATIES
    ARCHIEF
    LID WORDEN
TIJDSCHRIFT
TE KOOP
GESCHIEDENIS
WIJ ZOEKEN
NIEUWS
EERTIJDS
GASTENBOEK
LINKS
CONTACT

 

 

Beroemde personen uit Deerlijk op Wikipedia

Vrijwilligers gevraagd

 

 


«  JUNI 2017  »
zo. ma. di. wo. do. vr. za.
    
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
 
VANDAAG 23/06/2017
 

 



Geschiedenis van Deerlijk

1. Ligging

Deerlijk ligt op de grens van de Vlaamse zandleemstreek tussen Kortrijk en Waregem. Het centrum ligt ten noorden van de Gaverbeek en het gehucht Sint-Lodewijk ten zuiden. Het landschap is licht golvend, de hoogte varieert van ca. 14 meter in de Gavervlakte tot bijna 50 meter in het zuiden, in Sint-Lodewijk. Het grootste gedeelte van het grondgebied bevindt zich tussen de 15 en de 20 meter hoogtelijnen. Deerlijk ontsnapte aan de grote fusieoperatie van 1 januari 1977 en is zelfstandig gebleven. Het is 1682 ha groot en telt ca. 11.000 inwoners. Het is een woongemeente met land- en tuinbouw, handel en industrie.

2. Vroegste sporen van bewoning

De oudste sporen van menselijke nederzettingen werden aangetroffen in het waterrijke gebied van de Gavervlakte. Zowel in Deerlijk als in Harelbeke werden stenen werktuigen gevonden van jagers en voedselverzamelaars uit het late oud steentijdperk, meer bepaald uit de zogenaamde Tjongercultuur (ca. 7000 v. Chr.).
Verschillende vondsten, zoals een fragment van een gepolijste bijl en pijlpunten, wijzen ook op menselijke bewoning tijdens het nieuw steentijdperk (ca. 3000-2000 v. Chr.).

Voorlopig ontbreken op Deerlijks grondgebied sporen uit de bronstijd en de ijzertijd, alhoewel er vermoedelijk ook in die tijd bewoning was. De vele vondsten in de omliggende gemeenten wijzen in die richting.

3. Romeinse nederzetting

In het centrum, tussen de kerk en de kapel ter Ruste, heeft er een Gallo-Romeinse nederzetting bestaan (2de-3de eeuw n. Chr.). Opgravingen op de terreinen van de Rijksbasisschool (1974), aan de St.-Columbakerk (1977), aan het rustoord (1978) en op de terreinen van de voormalige ververij Ovelacq (1997) leverden voldoende bewijsmateriaal, zoals dakpannen, aardewerk en fragmenten van handmaalstenen en vuurbokken.

Een schat van ca. 45 munten, in 1848 gevonden op de wijk Belgiek, kan wijzen op het bestaan van een laat-Romeinse of Merovingische nederzetting (4de eeuw n. Chr.). Vondsten uit deze periode zijn in onze streek vrij zeldzaam.

4. Ontstaan van Deerlijk

Twee grote bossen, gescheiden door de Gavermoerassen, bedekten Deerlijk. In het noorden, vanaf de Hoog- en Waregemstraat over Beveren-Leie en Desselgem, het dichte Methala- of Medelewoud en ten zuiden van de Gavermoerassen het kleinere Feretwoud.

In de 10de eeuw begiftigde Arnulf de Grote, graaf van Vlaanderen, de Gentse Sint-Pietersabdij met grote gebieden uit zijn domein, waaronder het Medelewoud. De abdij liet in de volgende eeuwen dit woud systematisch ontginnen en in cultuur brengen. Dit gaf het ontstaan aan heel wat omwalde hoeven, van waaruit de ontginning doeltreffend werd georganiseerd. Vermelden we de nog bestaande hoeven in de Desselgemstraat: het Goed Scaecx te Bruyelstraete en het Goed ten Bruyele.

Op de zandrug tussen het Medelewoud en de Gavers liep de aloude weg van Kortrijk naar Waregem, d.i. de huidige Kortrijkse heerweg, Hoog- en Waregemstraat. Op de hoger gelegen droge kouters rond deze weg is ten laatste in de 10de eeuw de nederzetting "Derlike" ontstaan. Deze kleine en op zichzelf niet zo belangrijke heerlijkheid had echter de kerk op haar grondgebied, zodat ze uitgroeide tot dorpsheerlijkheid en parochie.

5. De naam Deerlijk

Over de verklaring van de naam "Deerlijk" zijn de geleerden het niet eens. Volgens de meest gezaghebbende onder hen, M. Gysseling, is de naam Deerlijk een Gallo-Romeinse nederzettingsnaam, nl. Thrasiliaco, afgeleid van de persoonsnaam Trasilos ("de energieke"). Deerlijk zou dan betekenen "nederzetting toebehorend aan Trasilos".
De oudste schrijfwijzen die wij in documenten aantreffen zijn "derlike" (1070) en "tresleca" (1111).

6. Het wapenschild van Deerlijk

Vanaf de 15de eeuw was de familie de Costere eigenaar van de heerlijkheid Deerlijk. Het wapenschild van deze familie, een keper en tien blokjes in keel, vier onderaan en twee keer drie bovenaan, op een zilveren achtergrond, is sinds 1937 het gemeenteschild.
De heerlijkheid was verder achtereenvolgens in handen van de families de la Motte (1628‑1715), de Cassina (1715‑1774) en de Moerman d’Harelbeke (1774). De laatste heer van Deerlijk, tot aan het einde van het ancien régime, was graaf Karel van Lichtervelde.

wapenschild


Bezienswaardigheden

1. De Sint-Columbakerk

Wanneer de oudste, wellicht houten, kerk ontstaan is en hoe zij eruit zag, is moeilijk te achterhalen. In de 2de helft van 12de eeuw werd zij vervangen door een Romaanse kruiskerk, opgetrokken uit Doornikse blauwsteen. Ze had een vieringtoren, een vlak afgesloten koor, een dwarsbeuk en een driebeukig schip waarvan de middenbeuk hoger opgebouwd was dan de aanpalende smalle zijbeukjes.

Naderhand werd de kerk verbouwd tot een ruime driebeukige hallenkerk met drie even hoge beuken. In die opbouw bleven de Romaanse vieringtoren, de dwarsbeuk en de middenbeuk behouden.

Aan het einde van de 16de eeuw, misschien ten gevolge van de strooptochten van de vrijbuiters of van de geuzenopstand, lag de kerk gedeeltelijk in puin. De zuidbeuk en het zuidkoor werden gesloopt en de kerk werd tot een tweebeukig geheel verkleind. De toren kreeg een nieuwe klokkenverdieping en een hogere spits.

De kerk, zoals zij er thans uitziet, dateert van de jaren 1775. Bij de bouw bleven de toren en de zuidelijke dwarsbeuk, het zgn. Klein Deurke, behouden. Alles kwam onder één dak te liggen.

Sint-Columbakerk

Het meubilair is overwegend 18de‑eeuws: hoogkoor met sinds 1954 gipsen kopieën van de eikenhouten medaillons van de westerse kerkvaders Ambrosius, Augustinus, Gregorius en Hiëronymus; de zijaltaren van Onze‑Lieve‑Vrouw en Sint‑Amand; preekstoel; en vier biechtstoelen.
In het hoogkoor staat de doopvont van wit marmer en steen met koperen deksel, uit 1873. Een deel van de laat‑18de‑eeuwse communiebank, uit smeedijzer en gedeeltelijk verguld, sluit nu de ruimte af voor het retabel. Er is een mooi 18de‑eeuws Sint‑Elooisbeeld uit lindehout. De overige beelden dateren van de 19de eeuw.
Het schilderij boven het hoofdaltaar, de Balseming van Christus, is een kopie uit 1954 door Georges Dheedene van het verdwenen doek van Emmanuel Taffin van 1785. Eveneens van de hand van Georges Dheedene zijn de twee muurschilderingen uit 1954 in het hoogkoor, een voorstelling van de dood van Maria in het bijzijn van de apostelen en herinneringen aan de H.­Hartfeesten van 1953.
De twee oudste schilderijen zijn: Elisabeth, Zacharias, Maria en Kind, Sint‑Janneke, door Jan van Hemessem, eerste helft 16de eeuw, en de H. Familie, laat‑17de‑eeuws. De andere zijn alle van de 18de eeuw: de Legende van Onze‑Lieve‑Vrouw ter Ruste, door Dominicus Ratel, de Engelbewaarder, de H. Columba, de H. Familie en H. Drievuldigheid, de Boodschap, en de H. Maagd en Kind.

2. Het Sint-Columbaretabel

De Sint-Columbakerk bevat een merkwaardig retabel van haar patroonheilige Sint-Columba. Het dateert van omstreeks 1535 en werd vermoedelijk vervaardigd in een Kortrijks atelier. Het beeldt in 10 taferelen het leven en de marteldood uit van de heilige Columba, volgens haar hagiografen een adellijk meisje uit Spanje dat op 31 december 274 te Sens werd onthoofd.

Het retabel werd tussen 1982 en 1988 gerestaureerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel.

Sint-Columbaretabel

3. De kapel van O.-L.-Vrouw ter Ruste

In tegenstelling met wat tot nog toe algemeen werd aangenomen ligt niet de familie de Cassina aan de oorsprong van de kapel, maar werd zij in 1639 gebouwd door Marguerite Keldewiers, de moeder van Walrand du Bois, deken van het kapittel van Harelbeke.

Aan de kapel is de volgende legende verbonden. De denkbeeldige edelman Adriaan Andries de Cassina die zich in grote nood bevond, had de grootste boom van zijn domein beloofd voor de bouw van een kapel. De belofte raakte echter vergeten en de boom werd voor een ander doel geveld. Op de plaats waar de kapel moest gebouwd worden, kon het paardengespan niet meer vooruit. De heer liet de boom doorzagen en een beeldje van O.-L.-Vrouw viel eruit. Precies op die plaats liet hij de kapel bouwen.
Vooral op 25 maart, feestdag van O.-L.-Vrouw Boodschap, vormde de kapel een waar bedevaartsoord. Op deze datum viert Deerlijk telkenjare Kapellekensommegang die vroeger jaren gepaard ging met een processie.

De kapel heeft een bewogen geschiedenis achter de rug. Tijdens de Franse Revolutie werd zij voor de eredienst gesloten en openbaar verkocht. Zij diende achtereenvolgens als armenspinschool, hospitaal voor tyfuslijders en weefschool. Eerst in 1884 werd ze door toedoen van pastoor Adolf De Bien neogotisch verbouwd en opnieuw voor de eredienst opengesteld.

Kapel O.-L.-Vrouw ter Ruste

4. De kerk van O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen van Sint-Lodewijk

Op de weg van Zwevegem naar Vichte, op het gehucht de Pladijshoek (nu Sint-Lodewijk), liet de Kortrijkenaar Adriaan Andries in 1666 een kapel bouwen ter ere van O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. In talrijke documenten staat zij omschreven als "de Capelle te Keyselberge" en stond ze waar tot in de tachtiger jaren de herberg "De Lustigen Boer" gehouden werd.

In 1774 werd het heiligdom aanzienlijk vergroot en de oude kapel werd portaal van de nieuwe. In 1804 werd de kapel verheven tot proosdij met een vaste proost en in 1855 werd Sint-Lodewijk uiteindelijk een zelfstandige parochie.

In 1869 werd de kapel, die te klein geworden was, vervangen door een driebeukige neogotische kerk, eveneens toegewijd aan O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Het ontwerp was van de Kortrijkse architect P. Croquison. De oude kapel raakte langzaam in verval en werd in 1885 gesloopt.

In 1969 werd de kerk gemoderniseerd onder leiding van de Kortrijkse architect H. Pauwels. Het neogotische meubilair werd verkocht, alleen het beeldhouwwerk bleef bewaard. Het hoofdaltaar heeft een metalen tabernakel door Paul van Rafelgem (omstreeks 1969). De kerk heeft een Cornil Cacheuxorgel uit 1734; het schilderij van Joos van Moerkerke van 1619 stelt in zes taferelen het passieverhaal voor.

De parochie Sint‑Lodewijk ondernam in de 19de en begin 20ste eeuw pogingen om zich af te scheiden van Deerlijk en een zelfstandige gemeente te worden.

Kerk O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen

5. De molen ter Geest en te Zande

De sedert 1944 wettelijk beschermde windmolen ter Geest en te Zande heet in de volksmond "Clerkskensmolen", naar de huidige eigenaars Declercq. Van de vele molens die Deerlijk vroeger rijk was, is hij de enige overblijvende en nog maalvaardig.

De eerste molen op die plaats werd opgericht in 1768 als oliewindmolen. In de hevige storm van 1 november 1800 waaide hij omver. In de twintiger jaren van de 19de eeuw kwam de molen in handen van de familie Declercq. Sedertdien was hij ook graanmolen.

Op Goede Vrijdag 1888 brandde de molen echter volledig uit en werd hij vervangen door de huidige in steen. Deze werd bij de terugtocht van de Duitse troepen in november 1918 door een granaat zwaar beschadigd.

In 1980-81 werd de molen grondig hersteld door molenbouwer Peel uit Gistel. In 2005 werden de romp en de wieken opnieuw gerestaureerd.
Het bedrijf werkte sedertdien alleen nog als graanmaalderij, de olieslagerij werd stilgelegd.
Sedert enkele jaren is ook aan het graanmalen met windkracht helaas een einde gekomen.
In de loop van 2005 krijgt hij opnieuw een grondige restauratiebeurt.

Molen Ter Geest en te Zande


DEERLIJKS DRIE GROTEN

1. Pieter Jan Renier. fabeldichter en kostschoolhouder (1795-1859)

Hij is vooral bekend als fabeldichter en vertaler van de fabels van de La fontaine. Hij schreef ook een dertigtal toneelstukken. In letterkundige wedstrijden werd hij herhaaldelijk gelauwerd.

Voor Deerlijk is hij vooral van belang als stichter van een kostschool, die grote bekendheid genoot. Een gedenkplaat aan een huis op het Dammeke herinnert er nog aan. Hugo Verriest was er rond 1850 leerling en Peter Benoit kwam als jonge musicus dikwijls de prijsuitdelingen opluisteren.

Tien jaar na zijn dood werd aan de kerk een praalgraf opgericht, een werk van de Brugse beeldhouwer Hendrik Pickery, en onthuld door Hendrik Conscience, toen arrondissementscommissaris van Kortrijk. In 1934 werd op de sokkel van het beeld een gedenkplaat aangebracht ter ere van Conscience.

Pieter Jan Renier was een veelzijdig, fijnbesnaard en sociaal man en een knap en vooruitstrevend opvoeder.

Grafmonument Renier

2. Hugo Verriest. de 'Paster van te lande’ (1840-1922)

Hugo Verriest werd geboren op 25 november 1840 in de Hoogstraat, waar nu de krantenwinkel "Bib" gevestigd is. Een gedenkplaat boven het uitstalraam, aangebracht in 1927, herinnert hieraan.
Schuin tegenover zijn geboortehuis, aan de noordkant van de Sint-Columbakerk, werd in 1951 een borstbeeld opgericht, een brons van de Bruggeling Karel Laloo.
Aan het huis van stamvader Petrus Johannes Verriest (1796–1871) in de Verrieststraat werd in 2005 een gedenkplaat aangebracht ter vervanging van die uit 1936.

Na zijn priesterwijding in 1864 werd hij benoemd tot leraar aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge. In 1867 verhuisde hij naar het Klein Seminarie van Roeselare, waar hij het werk van zijn leraar Gezelle voortzette. Hij werd er de geestelijke leider van de Blauwvoeterij, de door Albrecht Rodenbach gestichte contestatiebeweging van de katholieke en Vlaamsgezinde studerende jeugd.

In 1878 werd hij tot principaal benoemd van het college van Ieper. Uiteindelijk werd hij achtereenvolgens pastoor van Wakken (1888) en Ingooigem (1895), waar hij in 1913 luisterrijk gevierd werd en op hoge leeftijd overleed (1922).
Verriest was redacteur van het studententijdschrift "De Vlaamsche Vlagge" (1877-1880) en van het weekblad "De Nieuwe Tijd" (1896-1901). Hij was lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en doctor honoris causa van de universiteit van Leuven.

Hij schreef romantisch-impressionistische gedichten (nooit gebundeld), biografieën over personen die hij goed gekend had zoals Guido Gezelle, Stijn Streuvels en Albrecht Rodenbach (Twintig Vlaamsche Koppen, 1901), verhalen en schetsen (Regenboog uit andere kleuren,1901 en Op wandel, 1903) en talrijke artikels en verhandelingen over kunst en cultuurproblemen in diverse tijdschriften.

Verriest genoot vooral bekendheid als innemend spreker (Voordrachten,1904) en om zijn voorname rol in de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging.

Borstbeeld Hugo Verriest

3. René De Clercq. dichter en groot Vlaams voorvechter (1877-1932)

Hij werd op 4 november 1877 geboren in de Leegstraat, die in 1941 herdoopt werd tot René De Clercqstraat. Zijn geboortehuis is wettelijk beschermd en sedert 1991 ingericht als gemeentelijk museum, beheerd door het René De Clercqgenootschap.

Aan het rusthuis, schuin tegenover zijn geboortehuis, werd in 1970 een borstbeeld onthuld, een werk van de Gentse beeldhouwer Luc Van Parijs.
In 1982, vijftig jaar na zijn dood, werden het gebeente en het grafmonument van De Clercq naar zijn geboortedorp Deerlijk overgebracht en opgesteld aan de zuidkant van de kerk. Het monument is het werk van de expressionistische kunstenaar Jozef Cantré uit 1936. Het stelt de dichter voor die oprijst in de “tuin van Dietsland”. Met het aangezicht naar de zon gekeerd, drukt hij zijn dichtbundel De Noodhoorn tegen het hart. Met zijn linkerhand laat hij moeder aarde, zijn Vlaanderen, zijn Dietsland, niet los.

De Clercq promoveerde in 1902 tot doctor in de Germaanse filologie te Gent met een proefschrift over Gezelle. Hij was achtereenvolgens leraar te Nijvel, Oostende en Gent. Hij werd in het begin van de Eerste Wereldoorlog leraar aan de Belgische School te Amsterdam en redacteur van "De Vlaamsche Stem", het dagblad voor de Vlaamse bannelingen in Nederland.
Vanaf november 1918 leefde hij in ballingschap in Nederland tot aan zijn overlijden op 12 juni 1932. Als activist werd hij door het Belgische gerecht in 1920 bij verstek ter dood veroordeeld.

De Clercq debuteerde in het spoor van Gezelle met volkse, levenslustige en sterk ritmische gedichten op het land-, huis- en ambachtsleven (Gedichten).
Met Toortsen sympathiseert hij met het socialisme en schrijft hij heftige gedichten vol sociale verontwaardiging. In deze periode zijn ook zijn twee romans Het Rootland en Harmen Riels te situeren.
De smart om de dood van zijn geliefde vrouw resulteerde in Uit de diepten.

Bij het uitbreken van de oorlog viel hij in De zware kroon heftig tegen de Duitsers uit en betuigde hij zijn aanhankelijkheid aan België en de koning. In De noodhoorn echter keerde hij zich tegen hen om de achteruitstelling van Vlaanderen en zette zijn volk aan tot strijd naar een vrije toekomst. In deze forse, opstandige strijdliederen, die herinneren aan de Geuzenliederen, bereikte hij het hoogtepunt van zijn kunst.

René De Clercq was een groot dichter, die om politieke en filosofische redenen nog steeds fel wordt ondergewaardeerd. Voor de consequente verdediging van zijn Vlaamse volk heeft hij alles over gehad, zelfs zijn eigen geluk.

Grafmonument René De Clercq

4. Het museum Rene De Clercq

In het geboortehuis van de dichter is sedert 1991 het museum René De Clercq ondergebracht, beheerd door het René De Clercqgenootschap.
Het gebouw uit 1790 is eigendom van de gemeente en is wettelijk beschermd. Het werd vakkundig gerestaureerd en ingericht door de gemeentediensten onder leiding van Monumenten en Landschappen.
De benedenverdieping ademt de sfeer van de tijd van De Clercq uit met de woonkamer, de keuken en de bakoven. Ook de werkkamer van de dichter vindt er een plaats. De verdieping werd aangepast tot een moderne museumruimte, waar didactisch, stijlvol en zonder overlading in een aantal panelen en kijkkasten het leven en werk van de dichter chronologisch worden geëvoceerd.

Museum René De Clercq

Geraadpleegde werken

De Autotoerist XXX, 21 (1977) met artikels van G. DEPAMELAERE over René De Clercq en M. DEMEYERE over Pieter Jan Renier en Hugo Verriest
Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, Story-Scientia, Gent, 1963-1977, s.v. Clercq, René en Verriest, Hugo
G. DEPAMELAERE, Hugo Verriest, man van zijn tijd, Davidsfonds, Deerlijk, 1972
G. DEPAMELAERE e.a., René De Clercq-wandelpad, in Derlike VIII, 1 (1985)
Ph. DESPRIET, De Sint-Columbakerk in Deerlijk, in De Gaverstreke V (1977) p.10-48
ID., Inleiding tot de geschiedenis van Deerlijk, in Derlike IX,4 (1987)
M. GYSSELlNG, Inleiding tot de oude toponymie van West-Vlaanderen, in De Leiegouw XXV,1 (1983) p. 39-58
K. HULPlAU, René De Clercq (1877-1932). Een monografie, Gent, 1986


 
 
 

 

Aantal hits sinds 10/03/2006 : 593611
 
  Leden login
 
registreer | Paswoord vergeten?
 

?2006 - Dorp en Toren

Media Blasters has gone louis vuitton replica with a Japanese language only omega replica presentation here as the replica watches uk included stereo mix is all there is. Encoded at 192 kbps, it's a stereo mix that gets prada replica the job done well and has a couple of gucci replica really good moments here and there were it casts a wide series of sounds. Though it doesn't stand replica watches out strongly in terms of forward soundstage directionality, the show conveys what it wants to chanel replica well enough and is free of problems. This isn't the kind of show that will really surprise or replica handbags startle but it is solid and doesn't have any dropouts or distortions that we could hear during replica watches uk regular playback.