Geschiedenis van Deerlijk
1. Ligging
Deerlijk ligt op de grens van de Vlaamse zandleemstreek tussen Kortrijk
en Waregem. Het centrum ligt ten noorden van de Gaverbeek en het
gehucht Sint-Lodewijk ten zuiden. Het landschap is licht golvend,
de hoogte varieert van ca. 14 meter in de Gavervlakte tot bijna 50
meter in het zuiden, in Sint-Lodewijk. Het grootste gedeelte van
het grondgebied bevindt zich tussen de 15 en de 20 meter hoogtelijnen.
Deerlijk ontsnapte aan de grote fusieoperatie van 1 januari 1977
en is zelfstandig gebleven. Het is 1682 ha groot en telt ca. 11.000
inwoners. Het is een woongemeente met land- en tuinbouw, handel en
industrie.
2. Vroegste sporen van bewoning
De oudste sporen van menselijke nederzettingen werden aangetroffen
in het waterrijke gebied van de Gavervlakte. Zowel in Deerlijk als
in Harelbeke werden stenen werktuigen gevonden van jagers en voedselverzamelaars
uit het late oud steentijdperk, meer bepaald uit de zogenaamde Tjongercultuur
(ca. 7000 v. Chr.).
Verschillende vondsten, zoals een fragment van een gepolijste bijl
en pijlpunten, wijzen ook op menselijke bewoning tijdens het nieuw
steentijdperk (ca. 3000-2000 v. Chr.).
Voorlopig ontbreken op Deerlijks grondgebied sporen uit de bronstijd
en de ijzertijd, alhoewel er vermoedelijk ook in die tijd bewoning
was. De vele vondsten in de omliggende gemeenten wijzen in die richting.
3. Romeinse nederzetting
In het centrum, tussen de kerk en de kapel ter Ruste,
heeft er een Gallo-Romeinse nederzetting bestaan (2de-3de eeuw n.
Chr.). Opgravingen op de terreinen van de Rijksbasisschool (1974),
aan de St.-Columbakerk (1977), aan het rustoord (1978) en op de terreinen
van de voormalige ververij Ovelacq (1997) leverden voldoende bewijsmateriaal,
zoals dakpannen, aardewerk en fragmenten van handmaalstenen en vuurbokken.
Een schat van ca. 45 munten, in 1848 gevonden op de wijk Belgiek,
kan wijzen op het bestaan van een laat-Romeinse of Merovingische
nederzetting (4de eeuw n. Chr.). Vondsten uit deze periode zijn in
onze streek vrij zeldzaam.
4. Ontstaan van Deerlijk
Twee grote bossen, gescheiden door de Gavermoerassen, bedekten Deerlijk.
In het noorden, vanaf de Hoog- en Waregemstraat over Beveren-Leie
en Desselgem, het dichte Methala- of Medelewoud en ten zuiden van
de Gavermoerassen het kleinere Feretwoud.
In de 10de eeuw begiftigde Arnulf de Grote, graaf van Vlaanderen,
de Gentse Sint-Pietersabdij met grote gebieden uit zijn domein, waaronder
het Medelewoud. De abdij liet in de volgende eeuwen dit woud systematisch
ontginnen en in cultuur brengen. Dit gaf het ontstaan aan heel wat
omwalde hoeven, van waaruit de ontginning doeltreffend werd georganiseerd.
Vermelden we de nog bestaande hoeven in de Desselgemstraat: het
Goed Scaecx te Bruyelstraete en het Goed ten Bruyele.
Op de zandrug tussen het Medelewoud en de Gavers liep de aloude
weg van Kortrijk naar Waregem, d.i. de huidige Kortrijkse heerweg,
Hoog- en Waregemstraat. Op de hoger gelegen droge kouters rond deze
weg is ten laatste in de 10de eeuw de nederzetting "Derlike" ontstaan.
Deze kleine en op zichzelf niet zo belangrijke heerlijkheid had echter
de kerk op haar grondgebied, zodat ze uitgroeide tot dorpsheerlijkheid
en parochie.
5. De naam Deerlijk
Over de verklaring van de naam "Deerlijk" zijn de geleerden
het niet eens. Volgens de meest gezaghebbende onder hen, M. Gysseling,
is de naam Deerlijk een Gallo-Romeinse nederzettingsnaam, nl. Thrasiliaco,
afgeleid van de persoonsnaam Trasilos ("de energieke").
Deerlijk zou dan betekenen "nederzetting toebehorend aan Trasilos".
De oudste schrijfwijzen die wij in documenten aantreffen zijn "derlike" (1070)
en "tresleca" (1111).
6. Het wapenschild van Deerlijk
Vanaf de 15de eeuw was de familie de Costere eigenaar van
de heerlijkheid Deerlijk. Het wapenschild van deze familie, een keper
en tien blokjes in keel, vier onderaan en twee keer drie bovenaan,
op een zilveren achtergrond, is sinds 1937 het gemeenteschild.
De heerlijkheid was verder achtereenvolgens in handen van de families de la Motte (1628‑1715), de Cassina (1715‑1774) en de Moerman d’Harelbeke (1774). De laatste heer van Deerlijk, tot aan het einde van het ancien régime, was graaf Karel van Lichtervelde.

Bezienswaardigheden
1. De Sint-Columbakerk
Wanneer de oudste, wellicht houten, kerk ontstaan is en hoe zij
eruit zag, is moeilijk te achterhalen. In de 2de helft van 12de eeuw
werd zij vervangen door een Romaanse kruiskerk, opgetrokken
uit Doornikse blauwsteen. Ze had een vieringtoren, een vlak afgesloten
koor, een dwarsbeuk en een driebeukig schip waarvan de middenbeuk
hoger opgebouwd was dan de aanpalende smalle zijbeukjes.
Naderhand werd de kerk verbouwd tot een ruime driebeukige hallenkerk
met drie even hoge beuken. In die opbouw bleven de Romaanse vieringtoren,
de dwarsbeuk en de middenbeuk behouden.
Aan het einde van de 16de eeuw, misschien ten gevolge van de
strooptochten van de vrijbuiters of van de geuzenopstand,
lag de kerk gedeeltelijk in puin. De zuidbeuk en het zuidkoor werden
gesloopt en de kerk werd tot een tweebeukig geheel verkleind. De
toren kreeg een nieuwe klokkenverdieping en een hogere spits.
De kerk, zoals zij er thans uitziet, dateert van de jaren 1775.
Bij de bouw bleven de toren en de zuidelijke dwarsbeuk, het zgn.
Klein Deurke, behouden. Alles kwam onder één dak te
liggen.

Het meubilair is overwegend 18de‑eeuws: hoogkoor
met sinds 1954 gipsen kopieën van de eikenhouten medaillons
van de westerse kerkvaders Ambrosius, Augustinus, Gregorius
en Hiëronymus; de zijaltaren van Onze‑Lieve‑Vrouw
en Sint‑Amand; preekstoel; en vier biechtstoelen.
In het
hoogkoor staat de doopvont van wit marmer en steen met koperen deksel,
uit 1873. Een deel van de laat‑18de‑eeuwse communiebank,
uit smeedijzer en gedeeltelijk verguld, sluit nu de ruimte af voor
het retabel. Er is een mooi 18de‑eeuws Sint‑Elooisbeeld
uit lindehout. De overige beelden dateren van de 19de eeuw.
Het schilderij
boven het hoofdaltaar, de Balseming van Christus, is een kopie
uit 1954 door Georges Dheedene van het verdwenen doek van Emmanuel
Taffin van 1785. Eveneens van de hand van Georges Dheedene zijn de
twee muurschilderingen uit 1954 in het hoogkoor, een voorstelling
van de dood van Maria in het bijzijn van de apostelen en herinneringen
aan de H.Hartfeesten van 1953.
De twee oudste schilderijen
zijn: Elisabeth, Zacharias, Maria en Kind, Sint‑Janneke,
door Jan van Hemessem, eerste helft 16de eeuw, en de H. Familie,
laat‑17de‑eeuws. De andere zijn alle van de 18de eeuw:
de Legende van Onze‑Lieve‑Vrouw ter Ruste, door
Dominicus Ratel, de Engelbewaarder, de H. Columba, de H. Familie
en H. Drievuldigheid, de Boodschap, en de H. Maagd
en Kind.
2. Het Sint-Columbaretabel
De Sint-Columbakerk bevat een merkwaardig retabel van haar patroonheilige
Sint-Columba. Het dateert van omstreeks 1535 en werd vermoedelijk
vervaardigd in een Kortrijks atelier. Het beeldt in 10 taferelen
het leven en de marteldood uit van de heilige Columba, volgens haar
hagiografen een adellijk meisje uit Spanje dat op 31 december 274
te Sens werd onthoofd.
Het retabel werd tussen 1982 en 1988 gerestaureerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel.

3. De kapel van O.-L.-Vrouw ter Ruste
In tegenstelling met wat tot nog toe algemeen werd aangenomen ligt
niet de familie de Cassina aan de oorsprong van de kapel, maar werd
zij in 1639 gebouwd door Marguerite Keldewiers, de moeder van Walrand
du Bois, deken van het kapittel van Harelbeke.
Aan de kapel is de volgende legende verbonden. De denkbeeldige edelman
Adriaan Andries de Cassina die zich in grote nood bevond, had de
grootste boom van zijn domein beloofd voor de bouw van een kapel.
De belofte raakte echter vergeten en de boom werd voor een ander
doel geveld. Op de plaats waar de kapel moest gebouwd worden, kon
het paardengespan niet meer vooruit. De heer liet de boom doorzagen
en een beeldje van O.-L.-Vrouw viel eruit. Precies op die plaats
liet hij de kapel bouwen.
Vooral op 25 maart, feestdag van O.-L.-Vrouw Boodschap, vormde de
kapel een waar bedevaartsoord. Op deze datum viert Deerlijk telkenjare
Kapellekensommegang die vroeger jaren gepaard ging met een processie.
De kapel heeft een bewogen geschiedenis achter de rug. Tijdens de
Franse Revolutie werd zij voor de eredienst gesloten en openbaar
verkocht. Zij diende achtereenvolgens als armenspinschool, hospitaal
voor tyfuslijders en weefschool. Eerst in 1884 werd ze door toedoen
van pastoor Adolf De Bien neogotisch verbouwd en opnieuw voor de
eredienst opengesteld.

4. De kerk van O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen van Sint-Lodewijk
Op de weg van Zwevegem naar Vichte, op het gehucht de Pladijshoek
(nu Sint-Lodewijk), liet de Kortrijkenaar Adriaan Andries in 1666
een kapel bouwen ter ere van O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. In
talrijke documenten staat zij omschreven als "de Capelle te
Keyselberge" en stond ze waar tot in de tachtiger jaren de herberg "De
Lustigen Boer" gehouden werd.
In 1774 werd het heiligdom aanzienlijk vergroot en de oude kapel
werd portaal van de nieuwe. In 1804 werd de kapel verheven
tot proosdij met een vaste proost en in 1855 werd Sint-Lodewijk uiteindelijk
een zelfstandige parochie.
In 1869 werd de kapel, die te klein geworden was, vervangen door
een driebeukige neogotische kerk, eveneens toegewijd aan O.-L.-Vrouw
Onbevlekt Ontvangen. Het ontwerp was van de Kortrijkse architect
P. Croquison. De oude kapel raakte langzaam in verval en werd
in 1885 gesloopt.
In 1969 werd de kerk gemoderniseerd onder leiding van de Kortrijkse
architect H. Pauwels. Het neogotische meubilair werd verkocht,
alleen het beeldhouwwerk bleef bewaard. Het hoofdaltaar heeft een
metalen tabernakel door Paul van Rafelgem (omstreeks 1969). De kerk
heeft een Cornil Cacheuxorgel uit 1734; het schilderij
van Joos van Moerkerke van 1619 stelt in zes taferelen het passieverhaal
voor.
De parochie Sint‑Lodewijk ondernam in de 19de en begin
20ste eeuw pogingen om zich af te scheiden van Deerlijk en een zelfstandige
gemeente te worden.

5. De molen ter Geest en te Zande
De sedert 1944 wettelijk beschermde windmolen ter Geest en te Zande
heet in de volksmond "Clerkskensmolen",
naar de huidige eigenaars Declercq. Van de vele molens die Deerlijk
vroeger rijk was, is hij de enige overblijvende en nog maalvaardig.
De eerste molen op die plaats werd opgericht in 1768 als oliewindmolen.
In de hevige storm van 1 november 1800 waaide hij omver. In de twintiger
jaren van de 19de eeuw kwam de molen in handen van de familie Declercq.
Sedertdien was hij ook graanmolen.
Op Goede Vrijdag 1888 brandde de molen echter volledig uit en werd
hij vervangen door de huidige in steen. Deze werd bij de terugtocht
van de Duitse troepen in november 1918 door een granaat zwaar beschadigd.
In 1980-81 werd de molen grondig hersteld door molenbouwer
Peel uit Gistel. In 2005 werden de romp en de wieken opnieuw gerestaureerd.
Het bedrijf werkte sedertdien alleen nog als graanmaalderij, de olieslagerij
werd stilgelegd.
Sedert enkele jaren is ook aan het graanmalen met windkracht helaas
een einde gekomen.
In de loop van 2005 krijgt hij opnieuw een grondige restauratiebeurt.

DEERLIJKS DRIE GROTEN
1. Pieter Jan Renier. fabeldichter en kostschoolhouder (1795-1859)
Hij is vooral bekend als fabeldichter en vertaler van de fabels
van de La fontaine. Hij schreef ook een dertigtal toneelstukken.
In letterkundige wedstrijden werd hij herhaaldelijk gelauwerd.
Voor Deerlijk is hij vooral van belang als stichter van een kostschool,
die grote bekendheid genoot. Een gedenkplaat aan een huis op het
Dammeke herinnert er nog aan. Hugo Verriest was er rond 1850 leerling
en Peter Benoit kwam als jonge musicus dikwijls de prijsuitdelingen
opluisteren.
Tien jaar na zijn dood werd aan de kerk een praalgraf opgericht,
een werk van de Brugse beeldhouwer Hendrik Pickery, en onthuld door
Hendrik Conscience, toen arrondissementscommissaris van Kortrijk.
In 1934 werd op de sokkel van het beeld een gedenkplaat aangebracht
ter ere van Conscience.
Pieter Jan Renier was een veelzijdig, fijnbesnaard en sociaal man
en een knap en vooruitstrevend opvoeder.

2. Hugo Verriest. de 'Paster van te lande’ (1840-1922)
Hugo Verriest werd geboren op 25 november 1840 in de Hoogstraat,
waar nu de krantenwinkel "Bib" gevestigd is. Een
gedenkplaat boven het uitstalraam, aangebracht in 1927, herinnert
hieraan.
Schuin tegenover zijn geboortehuis, aan de noordkant van de Sint-Columbakerk,
werd in 1951 een borstbeeld opgericht, een brons van de Bruggeling
Karel Laloo.
Aan het huis van stamvader Petrus Johannes Verriest (1796–1871)
in de Verrieststraat werd in 2005 een gedenkplaat aangebracht ter vervanging
van die uit 1936.
Na zijn priesterwijding in 1864 werd hij benoemd tot leraar aan
het Sint-Lodewijkscollege te Brugge. In 1867 verhuisde hij naar het
Klein Seminarie van Roeselare, waar hij het werk van zijn leraar
Gezelle voortzette. Hij werd er de geestelijke leider van de Blauwvoeterij,
de door Albrecht Rodenbach gestichte contestatiebeweging van de katholieke
en Vlaamsgezinde studerende jeugd.
In 1878 werd hij tot principaal benoemd van het college van Ieper.
Uiteindelijk werd hij achtereenvolgens pastoor van Wakken (1888)
en Ingooigem (1895), waar hij in 1913 luisterrijk gevierd werd en
op hoge leeftijd overleed (1922).
Verriest was redacteur van het studententijdschrift "De Vlaamsche
Vlagge" (1877-1880) en van het weekblad "De Nieuwe Tijd" (1896-1901).
Hij was lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde
en doctor honoris causa van de universiteit van Leuven.
Hij schreef romantisch-impressionistische gedichten (nooit gebundeld),
biografieën over personen die hij goed gekend had zoals Guido Gezelle, Stijn Streuvels en Albrecht Rodenbach (Twintig Vlaamsche
Koppen, 1901), verhalen en schetsen (Regenboog uit andere kleuren,1901
en Op wandel, 1903) en talrijke artikels en verhandelingen over kunst
en cultuurproblemen in diverse tijdschriften.
Verriest genoot vooral bekendheid als innemend spreker (Voordrachten,1904)
en om zijn voorname rol in de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging.

3. René De Clercq. dichter en groot Vlaams voorvechter (1877-1932)
Hij werd op 4 november 1877 geboren in de Leegstraat, die in 1941
herdoopt werd tot René De Clercqstraat. Zijn geboortehuis
is wettelijk beschermd en sedert 1991 ingericht als gemeentelijk
museum, beheerd door het René De Clercqgenootschap.
Aan het rusthuis, schuin tegenover zijn geboortehuis, werd
in 1970 een borstbeeld onthuld, een werk van de Gentse beeldhouwer
Luc Van Parijs.
In 1982, vijftig jaar na zijn dood, werden het
gebeente en het grafmonument van De Clercq naar zijn geboortedorp
Deerlijk overgebracht en opgesteld aan de zuidkant van de kerk.
Het monument is het werk van de expressionistische kunstenaar Jozef Cantré uit 1936. Het stelt de dichter voor die oprijst in
de “tuin van Dietsland”. Met het aangezicht naar
de zon gekeerd, drukt hij zijn dichtbundel De Noodhoorn tegen het
hart. Met zijn linkerhand laat hij moeder aarde, zijn Vlaanderen,
zijn Dietsland, niet los.
De Clercq
promoveerde in 1902 tot doctor in de Germaanse filologie te Gent
met een proefschrift over Gezelle. Hij was achtereenvolgens leraar
te Nijvel, Oostende en Gent. Hij werd in het begin van de Eerste
Wereldoorlog leraar aan de Belgische School te Amsterdam en redacteur
van "De Vlaamsche Stem", het dagblad voor de
Vlaamse bannelingen in Nederland.
Vanaf november 1918 leefde hij in ballingschap in Nederland tot aan
zijn overlijden op 12 juni 1932. Als activist werd hij door het Belgische
gerecht in 1920 bij verstek ter dood veroordeeld.
De Clercq debuteerde in het spoor van Gezelle met volkse, levenslustige
en sterk ritmische gedichten op het land-, huis- en ambachtsleven
(Gedichten).
Met Toortsen sympathiseert hij met het socialisme en schrijft hij
heftige gedichten vol sociale verontwaardiging. In deze periode zijn
ook zijn twee romans Het Rootland en Harmen Riels te situeren.
De smart om de dood van zijn geliefde vrouw resulteerde in Uit de
diepten.
Bij het uitbreken van de oorlog viel hij in De zware kroon heftig
tegen de Duitsers uit en betuigde hij zijn aanhankelijkheid aan België en
de koning. In De noodhoorn echter keerde hij zich tegen hen om de
achteruitstelling van Vlaanderen en zette zijn volk aan tot strijd
naar een vrije toekomst. In deze forse, opstandige strijdliederen,
die herinneren aan de Geuzenliederen, bereikte hij het hoogtepunt
van zijn kunst.
René De Clercq was een groot dichter, die om politieke en
filosofische redenen nog steeds fel wordt ondergewaardeerd. Voor
de consequente verdediging van zijn Vlaamse volk heeft hij alles
over gehad, zelfs zijn eigen geluk.

4. Het museum Rene De Clercq
In het geboortehuis van de dichter is sedert 1991 het museum René De
Clercq ondergebracht, beheerd door het René De Clercqgenootschap.
Het gebouw uit 1790 is eigendom van de gemeente en is wettelijk beschermd.
Het werd vakkundig gerestaureerd en ingericht door de gemeentediensten
onder leiding van Monumenten en Landschappen.
De benedenverdieping ademt de sfeer van de tijd van De Clercq uit
met de woonkamer, de keuken en de bakoven. Ook de werkkamer van de
dichter vindt er een plaats. De verdieping werd aangepast tot een
moderne museumruimte, waar didactisch, stijlvol en zonder overlading
in een aantal panelen en kijkkasten het leven en werk van de dichter
chronologisch worden geëvoceerd.

Geraadpleegde werken
De Autotoerist XXX, 21 (1977) met artikels van G. DEPAMELAERE over
René De Clercq en M. DEMEYERE over Pieter Jan Renier en Hugo
Verriest
Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, Story-Scientia, Gent,
1963-1977, s.v. Clercq, René en Verriest, Hugo
G. DEPAMELAERE, Hugo Verriest, man van zijn tijd, Davidsfonds, Deerlijk,
1972
G. DEPAMELAERE e.a., René De Clercq-wandelpad, in Derlike
VIII, 1 (1985)
Ph. DESPRIET, De Sint-Columbakerk in Deerlijk, in De Gaverstreke
V (1977) p.10-48
ID., Inleiding tot de geschiedenis van Deerlijk, in Derlike IX,4
(1987)
M. GYSSELlNG, Inleiding tot de oude toponymie van West-Vlaanderen,
in De Leiegouw XXV,1 (1983) p. 39-58
K. HULPlAU, René De Clercq (1877-1932). Een monografie, Gent,
1986
|